Valkenieren is een eeuwenoud ambacht. Zo’n tweeënhalfduizend jaar geleden wisten de Aziaten al hoe ze gebruik konden maken van roofvogels bij de jacht. Ook in andere werelddelen, zoals Noord-Afrika en Europa, zijn tekenen gevonden waaruit blijkt dat valkenjacht bedreven werd. Maar hoe kwam men op dat idee? En misschien interessanter: hoe kreeg men de wilde roofvogels zover?
Valken zijn zogenaamde hogevluchtvogels: roofvogels die hoog vliegen en vanuit die positie hun prooi bepalen en aanvallen. Haviken en arenden noemen we de lage vlucht omdat zij vooral grondprooien jagen. Het zijn zeer succesvolle predatoren, want van de vijf vluchten slagen er altijd één of twee. Wanneer een roofvogel een kleine prooi pakt, een muis of kleine vogel, dan neemt hij deze met gemak mee naar een rustige plaats. Daar maakt de vogel zijn prooi schoon van de grootste veren of andere bedekking alvorens hij aan het eten slaat. Bij grotere prooien gaat de vogel anders te werk: wanneer de prooi te zwaar is om mee te vliegen, eet de vogel zich ter plaatse vol. Het vlees slikt hij echter niet meteen door, maar kropt het op in een ruimte in de slokdarm: de krop. Dan vliegt de vogel naar een rustige plaats, waar het eten uit de krop in beetjes naar de maag gaat en rustig kan verteren. De hoge mate van succes maakten roofvogels zeer aantrekkelijk voor jagers.
De vraag is: hoe kregen de valkeniers de vogels zover dat ze voor hen gingen werken? Hoe is een wild dier zo te trainen, dat het wel blijft jagen, maar dan ten behoeve van de mens? Het antwoord luidt: door gebruik te maken van de natuurlijke eigenschappen van roofvogels. Rob van Dipten, valkenier in hart en nieren, weet alles over roofvogels, waaronder de valken en haviken. “Door de eeuwen heen hebben valkeniers het natuurlijke gedrag van valken steeds gade geslagen. En wat leerde men? Een valk toont een aantal overeenkomsten met de mens. Zo is een roofvogel behoorlijk intelligent: hij kan anticiperen op de manoeuvres van de prooi. Ten tweede heeft de vogel een uitstekend geheugen, bij succes blijft hij het getoonde gedrag meteen herhalen. Ten derde zijn roofvogels ‘lui’: door niets te doen, verpilt hij ook geen energie. Soms zie je op de heenweg naar je werk een buizerd op een paaltje langs de snelweg zitten. Als je ’s avonds naar huis rijdt, is de kans aanwezig dat hij er nog zit. Wat hij doet? Hij wacht tot een auto een dier aanrijdt, zodat hij kan eten! Dat geeft meteen de laatste en zeer belangrijke eigenschap van een roofvogel aan: hij is een opportunist eerste klasse.”
“Vooral het opportunisme van de roofvogel speelt een grote rol bij het trainen. Als je hem maar telkens blijft belonen voor het goede gedrag, is er niets aan de hand. We trainen vogels dus puur met positive reinforcement. Toch is er wel een verschil op te merken met de training van gedomesticeerde dieren, zoals de hond. Bij honden beloon je eerst ieder succes, en al vrij snel schakel je over op intervalbeloning, met als uiteindelijke doel de beloning met voer achterwege te laten. Een hond vertoont uiteindelijk het aangeleerde gedrag net zo graag voor een complimentje, een aai. Bij roofvogels werkt intervaltraining averechts. Beloon je een vogel niet met een stukje vlees wanneer hij op jouw verzoek op je hand landt, dan zegt hij al vrij snel: bekijk het maar! Hier valt niets te halen. Dan ben je de roofvogel kwijt, hij zal elders zijn dagelijkse maaltijd gaan zoeken. Het is dus zeer belangrijk dat je vogel erop kan vertrouwen dat hij een stukje vlees krijgt, wanneer hij naar je luistert. Overigens kent ook de duur van een training grenzen bij een roofvogel: als zijn krop eenmaal vol zit, gaat hij zijn eten rustig verteren. Hij doet dan helemaal niets meer voor je, hij ziet geen enkele reden meer om zich in te spannen. Daarom is het wijs om bij de training kleine reepjes vlees te geven. Wat wel overeen komt met de training van honden, is de mate van belonen bij groot succes: ook roofvogels verdienen dan een vette jackpot.”
“Hoewel de trainingsmethoden door de eeuwen heen uiteraard geëvolueerd zijn, zijn een aantal dingen toch min of meer hetzelfde gebleven. Zo traint men de valken nog steeds met behulp van een loer. Een loer is een soort lederen hoefijzer aan een touw dat de prooi moet voorstellen. De loer wordt meestal ‘aangekleed’ met de vleugels van de prooi waarop je de valk wilt laten jagen en bindt men een stukje vlees op de loer alvorens men op een speciale manier met de loer begint te draaien (inderdaad, hier komt het gezegde ‘iemand een loer draaien’ vandaan). Door de draaiende beweging ziet de valk de loer aan voor een gewond dier en wordt zijn jachtinstinct geprikkeld. Hij duikt als een straaljager van grote hoogte op de loer om deze te grijpen maar de valkenier trekt de loer net voor zijn snavel weg waarna de valk een ‘doorstart’ maakt. Na meerdere ‘doorhalen’ gooit de valkenier de loer in de lucht en stoot de valk erop. Is de valk met de loer in de klauwen geland, dan mag hij het stukje vlees opeten. Vervolgens moet de vogel op de gehandschoende hand van de valkenier gaan zitten, ook in ruil voor een stukje vlees. Uiteindelijk kun je op deze manier valken dus ook een aaneenschakeling van handelingen aanleren voordat ze een beloning ontvangen. Maar dat vergt – net als bij honden - tijd en veel inzicht,”
Meer informatie
Wie meer wil weten over valkenieren, of wie zelf eens wil ervaren hoe het is om met roofvogels te vliegen tijdens een roofvogel workshop, kan terecht op de website van Rob van Dipten: www.adellijk-vermaak.nl. Rob organiseert valkerij workshops, roofvogeldemonstraties, kinderfeestjes met uilen, en meer. Via deze website vindt u ook Nederlands eerste valkerij-manege. Hier kunt u – net als op een paardenmanege – les krijgen in het vliegen met diverse roofvogels waaronder valken, haviken en uilen zonder er zelf een aan te schaffen.

Feiten over roofvogels
û Een prooi die niet vlucht, pakt de roofvogel niet
û Roofvogels zijn solitair en dulden geen ander in hun nabijheid
û Een valk kan met 350 km per uur op zijn prooi stoten (hoge vlucht roofvogels noemen we daarom ook wel stootvogels)
û Roofvogels bedrijven ecologische jacht: een gezonde prooi pakt hij niet, een jachtvlucht kost veel energie en de uitkomst bij een gezonde prooi is onzeker
û Een gemiddelde roofvogel heeft meer drukkracht met zijn poten dan een Rottweiler met zijn kaken
û Het huifje op de kop van een valk zit los: als het niet bevalt kan hem zelf afdoen
û Zolang de prooi nog leeft, kan de roofvogel zijn prooi niet loslaten; zijn klauwen blijven op slot zitten
û Een roofvogel wordt zodra deze volwassen is verstoten door de ouders; hij is dan in staat zelf te jagen.
û Vanaf het moment dat de jonge roofvogel verstoten wordt, kan de valkenier beginnen met trainen
û Vroeger werden roofvogels uit het wild ingevangen. Tegenwoordig komen ze via kwekers bij de valkeniers maar ze moeten wilde dieren zijn die, totdat de training begint, nooit in aanraking zijn geweest met mensen.
û De vrouwtjes noemt men wijven en de mannetjes tarsel. Valkeniers weten als geen ander hoe je je wijf onder de duim houdt J
Tekst: Nicolien de Rooij